Uit de zin, uit de aandacht
Hoe grammatica daders onzichtbaar maakt en slachtoffers tot probleem
Inleiding
De laatste jaren ben ik me meer bewust van de mogelijke effecten van woord- en taalgebruik. Onder andere via mijn interesse in hoe journalistiek invloed heeft op de manier waarop we het nieuws ervaren. Maar natuurlijk ook omdat ik inmiddels veel ervaring heb met het effect van taalgebruik op hetgeen iemand leert-, of welk inzicht ontstaat tijdens een mindfulnesstraining of een veerkrachttrainingsdag. Tenslotte heeft het oefenen met artikelen schrijven van de laatste jaren me ook wel wat bijgeleerd.
Evengoed was een van de meest leerzame ervaringen van de afgelopen jaren een artikel dat ik las over hoe daders en slachtoffers in nieuwsartikelen “behandeld” worden, en dat dat veel effect heeft op hoe we als maatschappij met slachtoffers omgaan.
Toen ik recent een TED-talk zag over hoe de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je een brug beschrijft, vond ik het tijd voor een artikel over taal en grammatica. Dus daar gaat ‘ie!
Schuld of ongeluk
Stel je voor dat je een ongeluk ziet gebeuren. Iemand stoot een vaas om; in een museum ook nog, dus het is vast een hele kostbare. In het Engels beschrijf je dat waarschijnlijk als: “He knocked over the vase.” In het Spaans zou je eerder zeggen: “Se cayó eljarrón” — de vaas viel. In deze laatste zin is er geen “dader”, er zit geen persoonlijk voornaamwoord in. Het vallen van de vaas was een gebeurtenis, meer niet.
Dit ogenschijnlijk kleine grammaticale verschil heeft verrassend grote gevolgen. Cognitief taalkundige Lera Boroditsky toonde in haar onderzoek aan dat Engelstaligen zich achteraf beter herinneren wie de vaas omstootte, terwijl Spaanstaligen zich beter herinneren dat het een ongeluk was. Twee mensen zien hetzelfde gebeuren, maar herinneren zich verschillende dingen, omdat hun taal hen “getraind” heeft om op verschillende dingen te letten. En het gaat verder dan alleen het geheugen: wanneer je mensen dezelfde scène laat zien, waarna de Engelstalige helft beschrijft wat er gebeurde met “hij deed het” en de Spaanstalige helft schrijft “het gebeurde”, blijkt de eerste groep de betrokkene significant (= meer dan je op basis van toeval mag verwachten) meer schuld toe te schrijven. Taal stuurt niet alleen ons geheugen, maar ook ons oordeel.
De TED-talk van Lera Boroditsky kun je onderaan dit artikel vinden.
De grammatica van verdwijning
Taalkundige Julia Penelope beschrijft in haar boek Speaking Freely1 een mechanisme dat ze de grammatica van non-agency noemde. Ze liet zien hoe zinnen over geweld stap voor stap worden hergeformuleerd en hoe de dader bij elke stap verder uit beeld verdwijnt2, terwijl het slachtoffer een merkwaardige grammaticale reis maakt.
Een artikel dat ik hierover las, maakte grote indruk op me. Volg de opbouw van de volgende zinnen maar eens:
Jan slaat Marie. Dit is een feitelijke beschrijving van wat er is gebeurd. Jan is de handelende persoon. Marie is lijdend voorwerp: degene aan wie iets wordt gedaan. De zin beschrijft een daad en wijst een dader aan (de “agent” van grammatica van non-agency); het is een actieve zin3.
Marie is geslagen door Jan. Klopt ook, maar nu is er iets subtiels gebeurd: Marie is naar voren geschoven en wordt grammaticaal onderwerp. Ze “promoveert”, maar niet naar handelend persoon. Ze wordt subject van iets wat haar overkomt. Jan “degradeert” naar een bijwoordelijke bepaling, een toevoeging achteraan de zin, grammaticaal nog optioneel ook. Let maar op wat er voor de hand ligt:
Marie werd geslagen. Hé, Jan is buiten beeld! Marie is nog steeds subject, maar nu van een non-agency zin, een zin zonder dader. Er is alleen nog een toestand. Er is iets met haar gebeurd, maar wie erbij betrokken was, geen idee.
Marie is een mishandelde vrouw. De laatste stap is de meest definitieve. Marie is geen subject meer van een gebeurtenis; ze is een zelfstandig naamwoord geworden. Ze valt samen met wat haar overkomen is. Het geweld dat Jan pleegde, is nu onderdeel van háár identiteit. Ze draagt het als een label.
Wat er in deze vier zinnen is gebeurd, is wat mij betreft schokkend. Marie heeft een grammaticale verandering doorgemaakt: van lijdend voorwerp naar onderwerp van de zin. Maar eigenlijk is ze ergens in geluisd. Want ze is niet iemand meer die door Jan is geslagen, maar iemand die een probleem heeft, want ze is een mishandelde vrouw.
En misschien dat je herkent hoe vaak je in de media koppen leest van mensen die “een probleem hebben”, maar dat de dader niet genoemd wordt? Verderop heb ik nog enkele voorbeelden voor je.
De activist, auteur en filmmaker Jackson Katz gebruikte dit voorbeeld ook in zijn veelbekeken TED-talk (die ik pas recent voor het eerst zag) om te laten zien hoe dit mechanisme diepgaand doorwerkt in de manier waarop media, rechtbanken en de publieke opinie over huiselijk geweld spreken. We vragen niet: waarom slaat Jan? We vragen: waarom blijft Marie bij hem? De grammatica heeft ons ongemerkt en subtiel in de richting van victim blaming (het slachtoffer de schuld geven) gestuurd.
Katz voegde er een aanvullende observatie aan toe: zelfs de term “geweld tegen vrouwen” is grammaticaal een passieve constructie. Er is geen handelend subject. Het is een ding dat vrouwen overkomt – niet iets dat mannen doen.
Elke dag in het nieuws
Zoals Johan Cruijff zei: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt”. Als je het eenmaal doorhebt, ga je dit mechanisme steeds vaker herkennen. Je vindt het elke dag in de krant en op nieuwssites, bijvoorbeeld in de berichtgeving over verkeersongelukken.
Een automobilist rijdt een fietser aan. Dat is wat er gebeurt. Maar volg hoe de berichtgeving zich ontvouwt en let daarbij op de grammaticale positie van elk van de twee betrokkenen:
Automobilist rijdt fietser aan. De automobilist is subject, de handelende persoon. De fietser is lijdend voorwerp. Helder, direct, eerlijk en feitelijk zo waar als maar zijn kan.
Fietser aangereden door automobilist. De duivelse omkering: de fietser schuift naar voren en wordt grammaticaal subject. Maar net als Marie is het een schijnpromotie: de fietser is subject van iets wat hem overkomt. De automobilist is teruggedrongen naar een bijwoordelijke bepaling achteraan – grammaticale bijzaak, bijna een voetnoot. Hij kan zo via de coulissen het toneel af.
Fietser aangereden door auto. Zie je wel, weg is de bestuurder. Dit zou de kop kunnen zijn die we in de krant lezen4. De bestuurder is vervangen door het voertuig. Niet een mens nam een beslissing, reed te hard, keek niet uit; een ding was in beweging. Het persoonlijke aspect is gewist; wat overblijft is mechanica.
Fietser aangereden. De auto is ook verdwenen. Er is alleen nog een fietser die een probleem heeft en “aangereden” is; door niemand, door niets, blijkbaar zomaar. Het noodlot dat hem trof.
De fietser heeft in vier stappen dezelfde grammaticale reis gemaakt als Marie: van lijdend voorwerp naar onderwerp van de zin. Maar ook hier is het een valstrik. Als grammaticaal subject van een passieve zin zonder dader is hij niet langer iemand die iets overkomt door toedoen van een ander; hij is iemand die kennelijk in een wereld leeft waar dit soort dingen simpelweg gebeurt. En in die wereld gaan we ons onwillekeurig afvragen: droeg hij een helm? Was hij zichtbaar genoeg? Reed hij wel aan de goede kant? De automobilist is allang en samen met zijn handelen en zijn verantwoordelijkheid buiten beeld geraakt.
Dit is zelden een bewuste samenzwering op nieuwsredacties (hoop ik tenminste). Het is de natuurlijke aantrekkingskracht van de passieve vorm, die in nieuwstaal extra sterk is omdat ze beknopt en neutraal klinkt, terwijl ze allesbehalve neutraal is.
Een lange adem en een dikke huid
Van alle zogenaamd sociale media maak ik alleen nog gebruik van LinkedIn. Daar volg ik al een tijdje Zoë Papaikonomou, een journalist met een focus op diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid. Ze onderzoekt daarbinnen vooral de werking van macht. Bijna dagelijks tref ik een post van haar aan met daarin een correctie van een krantenkop of nieuwstitel. Hieronder enkele recente posts van Zoë:




Wat ik overigens ook lees, is dat journalisten zoals Papaikonomou regelmatig haatmails krijgen. Blijkbaar roept het een en ander op als je je kop boven het maaiveld uitsteekt. Wat mij betreft een extra reden om journalisten met deze missie te ondersteunen en te volgen5, want tjonge, wat een koppen zie je soms voorbij komen en wat is het nodig dat de gevestigde media daarop aangesproken worden.
Nog drie rijtjes
Op de werkvloer:
De manager betastte de medewerkster.
De medewerkster werd betast door de manager.
De medewerkster werd betast. Manager verdwenen.
Er was sprake van een ongewenste situatie tussen twee collega’s.
In de geschiedenisboekjes:
Nederland heeft Indonesië gekoloniseerd, leeggeplunderd en met geweld bezet gehouden6.
Indonesië werd door Nederland gekoloniseerd. De duivelse omkering.
Indonesië werd gekoloniseerd. Nederland buiten beeld.
Indonesië heeft een koloniale periode gekend. Het kolonialisme is omgezet in een historisch tijdperk, iets wat Indonesië gewoon overkwam, zoals een ijstijd of een droge zomer. Geen dader, geen beslissing, geen verantwoordelijkheid.
In de actualiteit:
Het Israëlische leger bombardeerde een vluchtelingenkamp, waarbij honderden burgers omkwamen. Helder (en heel verdrietig).
Bij bombardementen op een vluchtelingenkamp in Gaza kwamen honderden mensen om.
In Gaza vielen weer tientallen doden. Geen leger, geen bommen, geen beslissing. Mensen vielen, zoals bladeren vallen.
Het conflict in het Midden-Oosten eist opnieuw slachtoffers. — Twee partijen, één abstract conflict7.
Is de brug vrouwelijk of mannelijk?
Het maakt uit.
Het effect van taal op denken stopt niet bij geweld en schuld. Boroditsky onderzocht ook de invloed van grammaticaal geslacht: de eigenschap van veel talen om elk zelfstandig naamwoord een geslacht toe te kennen.
Neem het woord brug. In het Duits is die Brücke vrouwelijk. In het Spaans is el puente mannelijk. Wanneer Boroditsky Duitstaligen vroeg een brug te beschrijven, kozen ze vaker voor woorden als mooi, elegant en sierlijk, woorden die meestal met vrouwelijke aspecten geassocieerd worden. Spaanstaligen kozen vaker voor sterk, stoer en groot, woorden die over het algemeen met mannelijke aspecten geassocieerd worden. Dezelfde brug. Ander grammaticaal geslacht. Ander beeld.
Een vergelijkbaar patroon vinden we bij de sleutel: in het Spaans vrouwelijk (la llave), in het Duits mannelijk (der Schlüssel). Duitstaligen beschreven sleutels als hard, zwaar en metaalachtig; Spaanstaligen als klein, glinsterend en handig. Het grammaticale geslacht van een woord kleurt de associaties die mensen bij dat woord hebben, zonder dat ze zich daarvan bewust zijn.
Dit betekent dat de taal die je spreekt mede bepaalt hoe je de wereld om je heen aanvoelt, welke eigenschappen je opvallen en welke kwaliteiten je toeschrijft aan de dingen die je tegenkomt. En als dat al geldt voor bruggen en sleutels, geldt het waarschijnlijk ook voor woorden als slachtoffer of dader.
Zevenduizend manieren om in de werkelijkheid te staan
Boroditsky’s onderzoek laat zien dat dit geen randverschijnselen zijn. Taal bepaalt hoe mensen zich in de ruimte oriënteren, hoe ze tijd visualiseren, hoe ze kleuren onderscheiden, hoe ze getallen begrijpen en eigenlijk ook of abstracte wiskunde überhaupt denkbaar is. De Kuuk Thaayorre, een natuurvolk dat in het noordoosten van Australië leeft, heeft geen woorden voor links en rechts, maar gebruikt uitsluitend de windrichtingen. Ze blijken consequent beter georiënteerd dan mensen uit westerse culturen, zelfs in een voor hen vreemd landschap. Een vijfjarig kind uit deze gemeenschap weet feilloos waar het noorden ligt. De gemiddeld briljante universiteitsstudent uit Europa of Amerika heeft er geen idee van.
Er zijn wereldwijd ongeveer zevenduizend talen. Dat zijn zevenduizend manieren om in de werkelijkheid te staan en haar te benoemen en te beleven. Boroditsky noemt dat de schoonheid van taalkundige diversiteit: het laat zien hoe vindingrijk en flexibel de menselijke geest is. Maar het heeft ook een keerzijde, want we verliezen elke week ongeveer één taal, en met elke taal verdwijnt dus een unieke manier van naar de wereld kijken.
Zoals je las, toonde Boroditsky aan dat taal bepaalt wat we ons herinneren, wie we schuld geven, wie we straffen. Als een generatie opgroeit met berichtgeving waarin Palestijnse doden grammaticaal stuurloos vallen, terwijl Israëlische doden altijd een dader hebben, dan vormt dat een wereldbeeld. Het wordt een culturele programmering die trekjes heeft van propaganda, maar dan onbedoeld; door woorden en zinnen die neutraal leken.
De grammatica beslist niet alleen wie dader is en wie slachtoffer. Ze beslist, subtiel en hardnekkig, wie wij als volledig mens zien en wie wij zien als iemand aan wie een gebeurtenis overkomt.
De illusie van neutraliteit
Journalisten, redacteuren en hoofdredacteuren zullen zeggen dat ze neutraal berichten. Dat ze feiten weergeven en niet oordelen. Dat ze geen partij kiezen. Maar wat de taalwetenschap ons laat zien, is dat grammaticale neutraliteit niet bestaat. Elke zin is een keuze. Wie vooraan staat, wie achteraan, wie verdwijnt. Dat zijn geen stilistische voorkeuren, maar politieke beslissingen, ook als ze onbewust worden genomen.
Een redacteur die schrijft “fietser aangereden” kiest niet voor neutraliteit. Hij kiest voor een formulering die de automobilist uit beeld haalt. Een verslaggever die schrijft “er was sprake van een ongewenste situatie” kiest niet voor zorgvuldigheid. Hij kiest voor een formulering die de machtsverhouding uitwist. Een geschiedenisboek dat schrijft “Indonesië heeft een koloniale periode gekend” kiest niet voor objectiviteit. Het kiest voor een perspectief waarin de kolonisator onzichtbaar mag blijven.
De Franse filosoof Roland Barthes noemde dit mechanisme mythologisering: de manier waarop culturele en politieke keuzes worden vermomd als natuurlijke, vanzelfsprekende feiten. Er wordt geen bewuste keuze meer gemaakt – wie vooraan in de zin staat, wie verdwijnt, welk woord we kiezen – en de ontstane gewoonte vormt mede onze werkelijkheid. De taal pretendeert te beschrijven hoe de dingen nu eenmaal zijn. En dat is precies het moment waarop ze het gevaarlijkst is: niet als taal liegt, maar als ze zo vanzelfsprekend klinkt dat niemand meer de vraag stelt of het ook anders kon.
Taal of grammatica?
Het onderscheid tussen deze twee is van belang, omdat grammatica8 vaak onbewuster werkt dan woordkeuze. Je merkt het direct als iemand een beladen woord gebruikt, zoals slachtoffer, terrorist, illegaal. Woorden dragen hun lading hoorbaar mee. Je kunt woorden aanwijzen, betwisten, vervangen, maar als een zin passief is opgebouwd, glijdt hij erin als Gods woord in een ouderling. Niemand protesteert tegen een passieve zin. Geen redacteur markeert hem als tendentieus. Geen lezer voelt weerstand. En ongemerkt doet de zin zijn snode werk.
Dat is ook wat grammatica zo effectief maakt als politiek instrument: ze opereert onder de radar van het bewuste oordeel. We zijn getraind om te letten op wat er gezegd wordt. We zijn nauwelijks getraind om te letten op hoe de zin is opgebouwd; wie als eerste genoemd staat, wie achteraan staat, wie stilzwijgend is weggelaten. Dat wordt dan de manier waarop “de dingen nu eenmaal worden opgeschreven”.
Boroditsky’s onderzoek laat zien dat dit geen onschuldig fenomeen is. Proefpersonen die exact dezelfde gebeurtenis beschreven kregen – het enige verschil was de zinsbouw, actief of passief – kwamen tot andere oordelen over schuld en verantwoordelijkheid. Ze hadden dezelfde feiten, maar andere grammatica. En die grammatica stuurde hun denken, zonder dat ze het merkten.
Dat is het eigenaardige en verontrustende aan grammaticale beïnvloeding: ze laat geen sporen achter in het geheugen. Je herinnert je de conclusie – het was een ongeluk, het was een conflict, het was een tragische situatie – maar niet de zin die je daarheen leidde. De grammatica heeft haar werk gedaan en is verdwenen. Wat overblijft, is een gedachte die voelt als je eigen overtuiging.
Media als spiegel en als mal
Media berichten dus niet alleen over de werkelijkheid; ze vormen mede hoe we die werkelijkheid begrijpen. Als nieuwsmedia jaar in jaar uit schrijven over vrouwen die mishandeld worden, fietsers die aangereden worden, gemeenschappen die geplunderd zijn, dan sijpelt dat door in hoe lezers de wereld waarnemen. Het is waarschijnlijk geen bewuste manipulatie, maar een langzaam sedimenteren van een bepaald wereldbeeld: een wereld waarin dingen gebeuren, waarin mensen dingen overkomen, waarin verantwoordelijkheid een diffuus en ongrijpbaar begrip is.
Boroditsky’s onderzoek laat zien dat taal niet alleen beschrijft wat we denken – ze bepaalt mede wat we kunnen denken. Wie nooit zinnen hoort of leest waarin een dader als handelend subject verschijnt, ontwikkelt moeizamer het cognitieve kader om daderschap überhaupt scherp te zien. De grammatica vormt het denken, en het denken vormt wat we rechtvaardig, normaal of onvermijdelijk vinden.
Dat maakt de keuze voor actieve of passieve taal niet alleen een stilistische kwestie, maar een ethische. Wie schrijft, onderwijst, rapporteert of bericht – en dat doen we eigenlijk allemaal, in deze tijd waarin iedereen een blog heeft – staat voortdurend voor de vraag: wie zet ik vooraan in de zin? Wie laat ik verdwijnen? En wat voor werkelijkheid schep ik daarmee, zin voor zin, dag na dag?
Zelf kijken
Journalisten die het begrepen hebben:
Jackson Katz, TEDxFiDiWomen, “Violence against women — it’s a men’s issue”
Lera Boroditsky, TED2018, “How language shapes the way we think”
Julia Penelope, Speaking Freely: Unlearning the Lies of the Fathers’ Tongues (1990).
De grammatica van non-agency beschrijft dus het geheel aan taalmechanismen waarmee het handelend vermogen [= iemand die iets doet] uit een zin verdwijnt.
In een actieve zin is het grammaticale onderwerp de handelende persoon: De automobilist reed de fietser aan. De volgorde is logisch en transparant – wie deed wat aan wie. In een passieve zin wordt het lijdend voorwerp naar voren geschoven en verdwijnt de handelende persoon naar achteren of helemaal uit de zin: De fietser werd aangereden door de automobilist, of nog verder: De fietser werd aangereden. De passieve vorm wordt in het Nederlands gevormd met een vorm van worden of zijn plus een voltooid deelwoord.
Passieve zinnen zijn niet per definitie fout: soms is de handelende persoon onbekend, onbelangrijk, of wil je juist de nadruk leggen op wat er met iemand gebeurde. Maar zoals dit artikel laat zien, heeft de keuze tussen actief en passief altijd een effect op wie zichtbaar is en wie niet, en daarmee op wie wij verantwoordelijk achten.
Ik ben benieuwd of iemand me een voorbeeld kan geven waarin we ‘Automobilist rijdt fietser aan’ in een krant of op een nieuwssite kunnen vinden.
Een andere journalist die zeer de moeite waard is om te volgen, is Fréderike Geerdink. Haar essay “Alle journalistiek is activisme” is zeer de moeite waard!
"Leeggeplunderd" is geen retorische overdrijving; het beschrijft een economisch uitbuitingsmodel dat bewust was ontworpen om rijkdom van de kolonie naar het moederland te sluizen, ten koste van de lokale bevolking.
Vergelijk dit met hoe diezelfde media berichten over geweld van Palestijnse kant: Hamas doodde, Hamas vuurde, Hamas ontvoerde. Altijd een handelend subject. Altijd een dader in de zin. De asymmetrie is stelselmatig en consistent en dat is geen toeval, want toeval produceert geen patronen die decennialang standhouden.
De taal doet hier iets dat verder gaat dan daderschap verhullen. Ze ontmenselijkt op twee manieren tegelijk. Palestijnse doden vallen – een werkwoord zonder oorzaak, zonder verantwoordelijke, bijna meteorologisch. Palestijnse overlevenden schuilen, vluchten, worden getroffen – passief, bewegingloos, object van krachten die groter zijn dan zij. Ze zijn nooit subject van hun eigen geschiedenis. Ze ondergaan haar.
Dit is precies wat Penelope beschreef: de grammaticale promotie die een valstrik is. Gaza “kent een conflict.” De Gazanen “zijn ontheemden.” Ze hebben een label gekregen – vluchteling, slachtoffer, menselijk schild – terwijl de handelende partij die hen daartoe maakte steeds verder naar de rand van de zin is geschoven, en uiteindelijk uit de zin verdwenen is.
Grammatica is het systeem van regels en principes voor het schrijven, spreken en begrijpen van een taal.




