Leven is ritme
Van schurende definitie naar heldere kern (en een mooi filmpje!)
Vraag een bioloog wat leven is en je krijgt, meestal na enige aarzeling, een redelijk nauwkeurig, maar zakelijk antwoord. Er moet sprake zijn van een energiestroom door een structuur die een bepaalde organisatiegraad vertoont. Er moet een membraan zijn dat een binnen van een buiten scheidt. En er moet vermogen tot replicatie zijn, en daarmee ook tot evolutie. Het is een zinnig antwoord, gebaseerd op jaren academische studie en decennia aan onderzoek wat daaraan voorafging, dus zo ‘waar’ als maar zijn kan, maar voor mij blijft er iets wringen. Ik kan er niet echt tevreden mee zijn. Voor mij laat het meest vertrouwde verschijnsel dat we kennen zich niet in deze woorden vangen.
Ik denk dat dat komt doordat de gangbare definities telkens net iets anders benoemen dan wat leven eigenlijk doet1. Ze beschrijven de onderdelen, de stoffen, de structuren en de voorwaarden. Maar het leven is geen verzameling onderdelen of lineaire processen. Leven is iets wat voortdurend gebeurt. En als je goed kijkt naar wat er dan gebeurt, in elke cel, in elk organisme, van het eenvoudigste tot het meest ingewikkelde, dan zie je overal hetzelfde grondpatroon terugkomen. Beweging die terugkeert. Herhaling in de tijd: ritme.
Alles wat leeft, heeft ritme.
Neem de kleinste eenheid die we levend durven noemen: een enkele cel. Zelfs daar waar geen hart klopt en geen longen ademen, is ritme aanwezig. De stofwisseling in de cel verloopt in golven: bijvoorbeeld de glycolyse, waarmee de cel suiker in energie omzet, gebeurt in ritmische pulsen, van bacterie tot gistcel tot mens. En over het celmembraan onderhoudt de cel onafgebroken een spanning, een gradiënt van ionen die voortdurend wordt opgebouwd en hersteld. De cel houdt zichzelf niet in leven door stil te staan op een gunstig punt, maar door onophoudelijk te bewegen rondom dat punt. Homeostase, dat mooie woord voor een evenwichtige toestand, is geen stilstand. Het is een oscillatie, een voortdurend balanceren, een ritmisch corrigeren. Het is ritme dat het organisme op koers houdt.
En zo is het overal en op alle niveaus. De celdeling verloopt in cycli. De stofwisseling is een aaneenschakeling van terugkerende reacties: opnemen, omzetten, afgeven, opnieuw. De hartslag en de ademhaling zijn ritmisch, en deze ritmes stemmen zich ook nog eens op elkaar af. Denk aan respiratoire sinusaritmie (RSA), waarbij de hartslag meebeweegt met de adem, sneller bij het inademen en trager bij het uitademen. In onze buik zien we de ritmische bewegingen van de peristaltiek; in onze hormoonhuishouding een veel langzamer ritme; en in ons hoofd de snellere ritmes van de hersengolven.
Bijna elk organisme kent een dag-en-nachtritme, een inwendige klok die zich afstemt op het draaien van de aarde. We hebben het ritme van het leven en het ritme van de seizoenen. Wie een levend systeem of een organisme van heel dichtbij bekijkt, ziet nooit stilstand, maar beweging in patronen.
Interessant is dat deze gedachte de bestaande definities niet tegenspreekt, maar juist samenbrengt. Kijk nog eens naar wat de biologen noemden. Een energiestroom is pas een stroom bij een verschil tussen twee polen, en verschil dat regelmatig terugkeert in de tijd is ritme. Homeostase is oscillatie. Replicatie is repetitief. Zelfs de meer abstracte omschrijvingen komen uit op ritme: de natuurkundige Schrödinger zag leven als iets dat zich voedt met wat hij negentropie noemde, en onophoudelijk energie en ordening aan zijn omgeving onttrekt om niet weg te zakken in het thermodynamisch evenwicht, de toestand waarin alle verschil is uitgevlakt en niets meer beweegt, wat hij gelijkstelde aan de dood. De systeemdenkers Maturana en Varela beschreven leven als een netwerk dat zichzelf steeds opnieuw voortbrengt, en dat steeds opnieuw is precies waar het om gaat.
Alle definities verwijzen dus, vaak zonder het met zoveel woorden te zeggen, naar hetzelfde. Niet de materiële aspecten zijn beslissend, maar de beweging die zich erin herhaalt. Wie dat eenmaal ziet, begrijpt ook meteen wat de dood is. De dood is niet het verdwijnen van iets, maar het stilvallen van het ritmische bewegen. Een pas gestorven lichaam bevat materieel gezien alle stoffen die het even daarvoor bevatte, en zelfs de structuren bestaan nog: de cellen, de organen, alle weefsels. Wat ontbreekt, is niet substantie, maar ritme. De stromen van bloedsomloop, stofwisseling en levensenergie zijn stilgevallen. Leven en dood verschillen niet in wat er is, maar in of het nog beweegt.
En misschien geldt dat niet alleen voor de dood zelf. Ik hoor mensen die een trauma hebben doorgemaakt weleens zeggen: “op dát moment stopte mijn leven”. Dat is een rake formulering, want in de verstarring van de bevriezingsrespons valt letterlijk iets stil. Adem stokt, beweging bevriest; soepele beweeglijkheid maakt plaats voor verstarring en roerloosheid. Dat is ook een verdwijnen van ritme, een kleine dood binnen het leven.
Herstel verloopt langs dezelfde weg: het is zaak het ritme terug te laten keren; in de adem, in de beweging, in het opnieuw durven afwisselen tussen spanning en ontspanning. We beginnen klein, en het lichaam gaat het ritme weer oppikken en uit laten dijen. Wie weer gaat bewegen, gaat weer leven.
Nu zal een oplettende lezer kunnen stellen dat ook niet-levende dingen ritmisch kunnen zijn. De slinger van een klok, een golf van de zee. En dat klopt: ritme alleen maakt iets nog niet levend. De uitspraak dat alles wat leeft ritme heeft, is niet hetzelfde als de bewering dat alles wat ritme heeft ook leeft. Ik beweer in dit essay het eerste, niet het tweede. Er bestaat geen levend wezen zonder ritme, terwijl er daarnaast talloze levenloze dingen mogelijk zijn met ritme.
Wat leven toevoegt aan het ritme van de slinger, is dat het leven zijn ritme zelf voortbrengt en onderhoudt. Een slinger wordt van buitenaf in gang gezet en ‘slingert’ op een gegeven moment steeds langzamer, totdat iemand de klok weer opwindt. Een levend organisme windt zichzelf op, telkens opnieuw, en houdt zo zijn eigen ritme gaande zolang het leeft.
Als we kijken naar waar en hoe de polyvagaaltheorie in dit essay past, dan hoort ritme, als basisvoorwaarde voor leven, thuis bij het oudste van de drie autonome systemen: het dorsale. Maar we moeten precies zijn, want ritme is veel ouder dan het dorsale systeem. Het bestond al lang voordat er een zenuwstelsel of een nervus vagus was. We vinden het al bij de vroegste meercellige dieren: bij de sponzen, die geen zenuwstelsel en geen echte spieren hebben en zich tóch ritmisch samentrekken om water door zich heen te pompen. Ze doen dat met eiwitten en signaalstoffen die verwant zijn aan die van spier en zenuw, en die er dus al waren voordat spieren en zenuwen bestonden. En even later (ergens tegen de 100 miljoen jaar) verschijnt bij de neteldieren, zoals de kwal, het eerste echte zenuwstelsel: geen brein, maar een diffuus zenuwnet. Veelzeggend genoeg staat dat vanaf het begin in dienst van ritme. Aan de rand van de ‘bel’ van de kwal zitten kleine zintuigknopjes met pacemaker-neuronen die het tempo bepalen, en de impuls die zij afvuren laat de bel ritmisch samentrekken, zodat de kwal voortpulseert. Ritme is dus de bodem waarop het hele dierenrijk is gebouwd: het is er al vóór de zenuw, en zodra zenuwen verschijnen, maken zij meteen gebruik van ritme.
Pas veel later ontstonden de gewervelden, en met hen het dorsale vagale systeem dat dit oeroude ritme overnam en in dienst nam voor rust, herstel en spijsvertering. Nog later kwam daar het sympathische systeem bij, dat ons naast ritme ook richting gaf, de mogelijkheid om ergens naartoe of van weg te bewegen. En het laatst van de autonome hoofdsystemen ontwikkelde zich het ventrale, sociale systeem, dat ons naast ritme en richting ook relatie schonk2.
Alles wat leeft, heeft ritme.
Ik vind het een mooie formulering, en niet alleen omdat ik vind dat ze klopt. Ze klopt ook nog eens op een manier die je kunt ervaren. De wetenschappelijke definities beschrijven leven meer van buitenaf, alsof je door een raam naar binnen kijkt. Ritme beschrijft leven ook van binnenuit, zoals het geleefd wordt. Wie ademt, voelt het ritme. Wie zijn hart tekeer voelt gaan of tot rust voelt komen, voelt het ritme. Wie beweegt, rust, waakt, slaapt, zich inspant en herstelt, leeft zijn leven als een aaneenschakeling van ritmes. En wie leert die ritmes te voelen en te verzorgen, in de ademhaling, in beweging, in de afwisseling van spanning en ontspanning, verzorgt daarmee het leven zelf.
Misschien vind ik het mooiste aspect van mijn omschrijving wel dat ze de verbinding legt tussen eencellige en de mens, de ionenstroom met de hartslag, tussen biologie en ervaring. Zo maak je van het leven geen lijst met vinkjes, maar een doorlopende, ritmische beweging, van de eerste cel in de oersoep tot het ademen van dit moment. En wat ook handig is: ze is kort genoeg om te onthouden, waar te zijn en te blijven hangen.
Alles wat leeft, heeft ritme.
Nergens viert de mens zijn ritmische aard zo duidelijk als in muziek. Geen enkele cultuur is zonder muzikale traditie, en dat is geen toeval. Als de muziek eenmaal hoorbaar is, heeft dat effect in het hele lichaam: de voet tikt mee, het hoofd knikt, de adem en zelfs de hartslag gaan zich voegen naar wat we horen.
We stemmen ons af, precies zoals het hart zich afstemt op de adem en de inwendige klok op het draaien van de aarde, maar nu samen, met elkaar. Wie in een groep in de maat meebeweegt, valt even helemaal samen met zijn eigen ritme én met dat van de anderen. Muziek is misschien wel de mooiste vorm van afstemmen: ritme dat we niet alleen ondergaan, maar zelf maken, delen en vieren. En het is niet toevallig dat mensen juist muziek, samen zingen en samen bewegen inzetten om zich weer meer levend te voelen.
Het hele leven is ritme
Toute la vie est rythme
Om dit essay af te maken, nodig ik je uit om naar onderstaande mini-documentaire te kijken3. Nog geen tien minuten en dik de moeite waard. Het thema is (natuurlijk) ritme. Prachtig gefilmd in het westen van Afrika, onderzoekt de documentaire de rol van ritme (“foli”) in het leven, werk, muziek en spel van de mensen in Baro, een streek in Guinee.
Directe link naar de film.
Als je dit artikel lezenswaardig vond en (nog) geen betaald abonnement wilt, mag je me ook trakteren op een cappuccino!
Enkele definities van ‘leven’:
Dawkins geeft strikt genomen geen definitie van leven, maar van wat eronder ligt: de replicator. In The Selfish Gene (1976) en The Extended Phenotype (1982) is een replicator alles waarvan kopieën worden gemaakt, met het gen als kopieermachine. Leven is dan geen zelfstandig iets, maar wat replicators bouwen: wij zijn hun overlevingsmachines. Dit is leven gereduceerd tot informatie die zichzelf doorgeeft, precies het “wat leven ís in plaats van wat leven dóét”.
John Maynard Smith (met Eörs Szathmáry) geeft de klassieke evolutionaire definitie: levend is alles dat de eigenschappen van vermenigvuldiging, variatie en erfelijkheid bezit, of afstamt van zulke entiteiten (The Origins of Life, 1999). Dat laatste is niet toevallig, want hun eigen schoolvoorbeeld is het muildier, dat onmiskenbaar leeft, maar zich niet kan voortplanten en alleen “levend” blijft omdat zijn ouders het wél konden. Ook hier staan replicatie en evolutie centraal.
Lynn Margulis (met Dorion Sagan), in What Is Life? (1995), zet daar iets tegenover. Zij verwerpt replicatie als kern en kiest voor autopoiese, het zichzelf voortdurend voortbrengen en onderhouden via stofwisseling, in de lijn van Maturana en Varela. Hun beroemde formulering: leven lijkt eerder op een werkwoord dan op een zelfstandig naamwoord, een materieel proces en geen ding. Daarom sluiten zij virussen juist uit (die metaboliseren niet), waar Dawkins ze eerder insluit.
Wat Margulis biologisch verwoordt, heeft een langere, wijsgerige stamboom: de procesvariant, die niet vraagt waaruit leven bestaat, maar wat het voortdurend doet. In deze lijn is de werkelijkheid geen verzameling dingen, maar een continu gebeuren, worden in plaats van zijn. Heraclitus vatte dat al samen in de later aan hem toegeschreven formule panta rhei, alles stroomt, en in het beeld dat je nooit tweemaal in dezelfde rivier stapt.
De NASA-werkdefinitie (toegeschreven aan Gerald Joyce): leven als een zichzelf onderhoudend chemisch systeem dat tot darwiniaanse evolutie in staat is. Dit is de operationele versmelting van Dawkins en Maynard Smith, en daarmee het scherpste contrast met Margulis, want het maakt darwiniaanse evolutie tot voorwaarde, waar Margulis die juist loslaat.
Deze prachtige alliteratie en metaforische weergave van de drie autonome hoofdsystemen heb ik voor het eerst gehoord van mijn collega-therapeut en polyvagaal enthousiasteling Jessica Scholte, waarvoor dank!
Credits:
Educational documentary about rhythm and daily life in West Africa.
The film explores how rhythm (“foli”) exists in work, music, play and community life.
Dedicated to the people of Baro.
Life has a rhythm, it’s constantly moving.
The word for rhythm (used by the Malinke tribes) is FOLI.
It is a word that encompasses so much more than drumming, dancing, or sound.
It’s found in every part of daily life.
In this film, you not only hear and feel rhythm but you also see it.
It’s an extraordinary blend of image and sound that feeds the senses and reminds us all how essential it is.
TREES: Before cutting the tree, there was a ceremony and an offering held for the tree. The tree was not only used for the jambe.
By the brothers Thomas Roebers and Floris Leeuwenberg.
Film crew during one month in Baro, Guinee Afrika.
Beautiful sound recording and sound design, Bjorn Warning
Translator and rhythm specialist Thomas Bonekamp
With special thanks to the chief:
DJEMBEFOLA: Mansa Camio
info@thomasroebers.com





Dank voor de credits, wat prachtig dat je Ritme zo uitwerkt als kenmerk van Leven. Ik kijk nu al uit naar artikelen over Richting en Relatie.
Volgens mij zeg je twee dingen:
1.Alles wat Leeft heeft Ritme dat zichzelf voortbrengt.
2.Niet alles wat Ritme heeft Leeft.
De crux van Leven zit m dan niet in Ritme maar in ‘dat zichzelf voortbrengt’.
Ik denk aan eb en vloed, ritme dat wordt voortgebracht door externe, grotere ‘omstandigheden’. Het ritme van de aarde onder invloed van het universum.
We zeggen wel, de aarde leeft, maar dan bedoelen we meestal alles wat op aarde leeft, niet het ritme van de aarde zelf.
T ritme van de aarde zelf brengt niet zichzelf voort maar wordt voortgebracht?
Dus Leven zoals jij in je schrijven bedoelt is een functie van een interne kwaliteit, iets dat zichzelf voortbrengt.
Ritme is een functie van een relationele kwaliteit, een puls binnen het grotere.
Dus ja, er is Ritme, ja, als dat Ritme zichzelf voortbrengt dan noemen we dat Leven.
Wat maakt nou dat een Ritme zichzelf voort kan brengen…..?
Ik weet niet of ik toevoeg of af doe aan je fantastisch geschreven artikel, dit is de contemplatie die in mij opkomt voor de zondag :)
Dank je wel!!